achtergrondrechts.jpg

Wat zijn terpen? 


Terpen (of wierden) zijn verhoogde woonplaatsen in een gebied dat geregeld onder water komt te staan. De grootste groep terpen in Nederland werd tussen 600 v. Chr. en 1100 na Chr. opgeworpen in het noorden van de provincies Friesland en Groningen. Die gebieden waren toen nog niet ingedijkt. Het waren uitgestrekte kwelders, doorsneden door prielen. De mensen wierpen de terpen op van zoden en mest op de wat hogere plaatsen op de kwelder. Ze hadden grote huizen met ingebouwde stallen, ze hielden vee en ze verbouwden allerlei gewassen. Het zeewater stroomde wanneer het heel hoog water was de prielen in en zette dan delen van de kwelders onder water. Daarbij werd nieuwe vruchtbare klei afgezet. Dat was gunstig voor de akkerbouw en de veeteelt. De mensen verzamelden ook wilde planten en weekdieren, ze visten, ze vingen vogels en gingen af en toe op jacht. Maar vee was belangrijker voor ze dan visvangst en jacht.

Via de waterwegen en de zee onderhielden de terpbewoners contacten over grote afstanden. Hoewel er altijd enige dreiging vanuit de zee was, hadden de terpbewoners er een goed en welvarend leven, juist dankzij de nabijheid van de zee. Deze conclusie van archeologen die in terpen opgraven wijkt totaal af van het negatieve beeld dat de Romeinse schrijver Plinius ons over het leven van de terpbewoners schetst (‘zeelieden bij vloed, en schipbreukelingen bij eb’). 
De terpbewoners maakten hun aardewerk meestal zelf. Ook werd er hout, been en metaal bewerkt. En er werd textiel gemaakt, uit wol en vlas. De mensen woonden in kleinere of grotere concentraties bij elkaar op een terp. Sommige terpen worden al 25 eeuwen bewoond. Bij dreigend hoog water werd de terp verder opgehoogd met nieuwe kleilagen of -plaggen. Ook het afval zorgde ervoor dat de terpen steeds hoger werden.